Rendierroute op de Veluwe

C. van Baarle

Dit artikel beschrijft een mogelijke route van rendieren op de Veluwe in de eindfase van de laatste ijstijd. De aanleiding van dit onderzoek was een recente  vondst  van een vuursteenwerktuig van de rendierjagers  bij t´ Harde . In totaal zijn nu 18 vondst locaties van de rendierjagers op de Veluwe bekend en in kaart gebracht.

Het hier onder beschreven onderzoek naar de vondstverspreiding op de Veluwe en een reconstructie van het landschap van de rendierjagers leidde naar de jaarlijkse trek van prehistorische groepen.  Dit als waarschijnlijke reactie van prehistorische groepen op de seizoenschommelingen in de voedselbronnen. Reeds in 2005 is al op een mogelijke  jaarlijkse trek naar de Veluwe en de Rijn gewezen. Met de kartering in 2018 zijn nieuwe inzichten verkregen. Een uitgebreid onderzoek zal de kennis hierover verder moeten vergroten en het geformuleerde model van de Veluwe moeten testen.

Rendierjagers

De rendierjagers leefden in de eindfase van de laatste ijstijd. Na het definitief terugtrekken van het landijs worden de omstandigheden voor bewoning gunstig. Jagers, gespecialiseerd in de jacht op rendieren houden zich in grote aantallen op in de uitgestrekte toendra. 

De rendierjagers leefden in een tijd  waarin koude en warmere periodes elkaar afwisselden. Vier perioden worden chronologisch onderscheiden:    

Koude periode, Oudste Dryas.

Warmere periode, met berken bossen, Bølling.

Koud en droog klimaat, met toendra vegetatie, Oude Dryas.

Warme en natte periode, met berken en berken dennenbossen, Allerød.  Koude periode, met toendra vegetatie, Jonge Dryas.

Vindplaatsen in kaart

Lange tijd is er weinig bekend over de verspreiding van vondsten in het midden van ons land.  In 1930 werden de eerste vondsten van rendierjagers bij Elspeet gedaan. Tot 1988 waren vijf locaties bekend. Dertig jaar later zijn achttien vindplaatsen op de Veluwe bekend.

Rond de Veluwe zijn maar enkele vindplaatsen waargenomen.

In het noordwesten; het IJsselmeergebied  zijn enkele vondsten gedaan.  De vindplaatsen in dit gebied zijn vrijwel niet toegankelijk door de bedekking van Holocene afzettingen en het water. Ook in de Gelderse Vallei en in de IJssel Vallei zijn enkele vondsten gedaan.

Verwacht zou worden dat deze waterrijke valleien en daarmee wildrijke valleien aantrekkelijke gebieden waren voor de jagers. 

Het zuiden is begrenst door de rivier de Rijn. Hier zijn vrijwel geen vondsten van de rendierjagers gedaan.  De rivierafzettingen hebben mogelijke vindplaatsen bedekt.

Schematisch overzicht van een bodemopbouw in een zandverstuiving op de Noord Veluwe.

Kampementen 

De vondstlocaties bevestigt het beeld dat de rendierjagers hun kampplaats kozen op een vooruitgestoken hoge rug nabij open water. Dit is vastgesteld bij Vaassen, Schaveren, Elspeet en Wekerom.

Een enkele maal werd een kampement op een lage rug rond een meer aangetroffen zoals te Meerveld, Uddel en t´ Harde.

Bij een droog beekdal te Stroe werd in 2005 een wetenschappelijk onderzoek verricht door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het onderzoek wees uit dat het hier gaat om een klein kamp die vermoedelijk niet lang in gebruik is geweest.

Eveneens bij een droog beekdal bij Elspeet werden in 1930 vele vondsten gedaan. Verder onderzoek wees uit dat het gebied meerdere malen bewoond is geweest. Volgens het onderzoek van Cichy gaat het hier vermoedelijk om kleine kampementen waar meerdere activiteiten hebben plaatsgevonden.

Jachtkamp of Basiskamp

Jachtkampen zijn kampen waar men kort verbleef. Deze kampen hebben een hoge percentage spitsen en weinig schrabbers.

Basiskampen zijn kampen waar men wat langer verbleef en van waaruit men expedities ondernam. De basiskampen hebben een gevarieerde samenstelling. De werktuigen hebben een verband met huishoudelijke activiteiten.

Tot nog toe zijn er geen duidelijke basiskampen op de Veluwe gevonden. 

Tradities 

Vondsten van rendierjagers beperken zich meestal tot vuursteen werktuigen.  

Het vuursteen materiaal kan op grond van verschillen in de vuursteentechnologie in vier chronologische tradities worden verdeeld.

De Hamburg traditie valt in de periode van het Oudste Dryas en Bølling.

De Creswell traditie valt in de periode van de  Allerød.

De Federmesser traditie valt in de periode van de  Allerød en Jonge Dryas.

De Ahrensburg traditie valt in de periode van het Jonge Dryas:

De verspreiding van de Hamburgtraditie is gelegen in Noord Nederland met de Zuid Veluwe als grens.

De verspreiding van de  Ahrensburg traditie is gelegen in noord en oost Nederland.  En de verspreiding van de Federmesser traditie is gelegen in heel Nederland.

Kampementen van rendierjagers op de Veluwe.

1 vindplaats, 2 Hamburger traditie, 3 Federmesser traditie , 4 Ahrensburg traditie.

Vondstverspreiding

De vondsten van rendierjagers op de Veluwe beperken zich tot de met dekzand bedekte stuwwalflanken.

Het verstoven dekzand op de Veluwe concentreert zich in de dalen op de westflank van de stuwwal. Ook aan de noordzijde bevind zich een uitgestrekt stuifzand gebied.

De vondstverspreiding is daar aan gelijk.

Met dit verschil dat de vondstlocaties  lijnvormige patronen vormen.

Deze lijn vormige patronen verbinden waterrijke locaties en dalen van noord naar zuid.

Enkele kampementen zijn strategisch gesitueerd, bijvoorbeeld voor een dal openingen: t´ Harde, Hulshorst, Harderwijk Stroe, Kootwijk, Otterloo en de Ginkelseheide.

Verder zijn de wat grotere locaties bij Elspeet en Meerveld op een terrasrand gesitueerd.

Zij liggen aan een waterrijk trechtervormige dal tussen de stuwwallen.

Biotoop

De biotoop van het gebied in Nederland ten tijde van de Hamburg traditie is bepaald vanuit pollen onderzoek. 

Van Noort geeft de verspreiding van berken- en dennenbos in de Noord-Europese laagvlakte gedurende de Allerød B periode aan, met daarin de verspreiding van de Nederlandse vindplaatsen van de Hamburgcultuur.

Het westelijk deel van Friesland en de Noordoostpolder zijn bedekt met een toendra vegetatie.

De Veluwe en de Flevopolder is voornamelijk begroeid met berken- en dennenbossen.

De vondstverspreiding in Nederland en de reconstructie van het landschap van de Hamburg traditie leidde naar de jaarlijkse trek van prehistorische groepen als waarschijnlijke reactie van prehistorische groepen op de seizoenschommelingen in de voedselbronnen.

Schematisch is de jaarcyclus van de Hamburg traditie in Nederland :

  1. Een basiskamp in de zomer voor Noord- West Nederland, Texel en aangrenzende Noordzee.
  2. Een Aggregatiekamp in voor- en najaar in Oost Nederland, Luttenberg, Ureterp en Oldeholtwolde.
  3. Een Basiskamp in de winter op de Veluwe en de Rijn.

Deze kaart interpreteert de Hamburg cultuur als seizoensgebonden. In het groen (berken- dennenbos) liggen de veronderstelde  graasgebieden in de winter. In het geel (de toendra), de graasgebieden in de zomer.  

De prehistorische seizoenstrek Duitsland

De verspreiding van vindplaatsen van de Hamburgtraditie in Duitsland komt overeen met het trekgedrag van de rendier door de verschillende seizoenen.

De ligging van de vindplaatsen komt overeen met de biotopen die door de rendieren in verschillende seizoenen worden bewoond. De noordelijke vindplaatsen in Schleswig-Holstein en Zuid Denemarken hebben een open toendra wat overeenkomt met een zomerbewoning. De zuidelijke vindplaatsen liggen net op de overgang van laagland naar het middelgebergte. Deze vindplaatsen liggen in een beginnend dennenbos.

Vele Noord Duitse kampementen van rendierjagers zijn gesitueerd langs noord- zuid gerichte dalen. Uit de situering van de kampementen word afgeleid dat het hier gaat om vaste routes binnen de seizoenstrek van rendieren van zomer- naar winterweiden en omgekeerd. 

De seizoenstrek in Zuid Nederland, een model

De verspreiding van vindplaatsen van de Ahrensburgtraditie bij Vessem komt overeen met het trekgedrag van de rendier door de verschillende seizoenen. 

Via systematische veldverkenningen en opgravingen werd de verspreiding op kaart gezet en nauwkeurig gedocumenteerd. Vervolgens werd informatie aangeboord van antropologische en archeologische- antropologische literatuur. Bestaande modellen werden bekeken of deze zouden aansluiten bij de vondstverspreiding. De verklaring van de vondstverspreiding komt voort uit een combinatie van modellen, een analyse van de verspreiding van vindplaatsen en een analyse van de mogelijkheden van het gebied via een reconstructie van de biotoop. 

Het Vessemse model geeft een interpretatie van de verspreiding van vindplaatsen aan, met bepaalde activiteiten. Een zomerterritorium binnen een vlakke bostoendra en een winterterritorium in een heuvelachtige bostoendra op een afstand van 100 kilometer.

De hedendaagse seizoenstrek in Noorwegen  

De Rendiersami in het uiterste noorden van Noorwegen kennen een lange traditie. De rendierfokkerij in dit woeste land is de enige natuurlijke bedrijfsvorm. Deze bedrijfsvorm is geheel afhankelijk van het trekinstinkt van de rendierkudde. Belangrijk hierbij is de aanpassing aan de geografische ligging en het klimaat.

De beste weidegebieden zijn door de Golfstroom aan de opgewarmde Noordzeekust. Van mei tot september is de kust vrij van meters dikke lagen sneeuw.  Van september tot mei moeten de dieren uitwijken naar het binnen land waar de weiden schraler zijn. Begin mei is de toendrabodem kaal gevreten. De trek word in gang gezet door de moederdieren die hun kalfjes in het mildere klimaat ter wereld willen brengen.

De Rendierherders worden gedwongen hun winterkwartier in de bossen en langs rivieren te verlaten en met tenten de kudde te volgen. In de lente komen de families samen in de plaats Kautokeino, wat halverwege betekend. Hier vind ruilhandel en opslag van goederen plaats. Ook zijn hier de bruiloften en de jaarmarkten rond Pasen. In de herfst vinden in Kautokeino de slachtfeesten plaats.  De rendieren worden gevolgd over een afstand van 200 kilometer tot Nordreisa aan de Mauersund. Daar worden de kudden gesplitst in viergroepen die elk een familie toebehoord. Vervolgens worden de dieren de Mauersund per schip overgebracht.

In het verleden zwommen 4000 rendieren de Mauersund over om de zomerweiden te bereiken. 

Veronderstelde rendierroute op de Veluwe

Conclusie

Met de kartering van de Veluwse vondsten hebben wij een beter beeld gekregen op de vondst verspreiding van de Hamburgtraditie in Midden Nederland.

Hieruit is naar voren gekomen dat de situering van kampementen op de Veluwe overeenkomen met de situering van vele Noord Duitse kampementen langs noord- zuid gerichte dalen.

De situering van de kampementen sluit aan op het model van Van Noort, een basiskamp in de zomer voor Noord-west Nederland, Texel en aangrenzende Noordzee en een Basiskamp in de winter op de Veluwe en de Rijn. 

Uit het voorgaande mogen wij afleiden dat de Veluwe een mogelijke doortocht voor rendieren bood naar de Rijn. Van de zomerweiden rond Gaasterland naar de dalen op de Veluwe en vervolgens naar de winterweiden in het rivieren gebied van de Betuwe, een afstand van 100 kilometer.

De vraag is of de jagers continu de dieren over deze lange afstand volgden. 

Binnen de archeologie vind het beeld van de onderscheppingsstrategie steeds meer aanhang. De gedachte daarbij is dat een aantal groepen, elk binnen een eigen territorium op dezelfde kudde jaagden.

Literatuur

Bohmers, A., 1947, Jong paleolithicum en vroeg mesolithicum, Een kwart eeuw, Oudheidkundig Bodemonderzoek in Nederland, gedenkboek, J. A. Boom & zoon, Meppel.

Bökemeier, R., Friedel, M., 1992, Waar dooi de herders van de toendra verdrijft, Natuur & techniek, Maasricht/Brussel.

Bonhof, J., 1991, Elspeet en de Elspeters in de Prehistorie, Nuwenspete nummer 3, Nunspeet.

Borman, R., Willemsen, G., Stapert, D., 1984, De IJstijden in de Nederlanden, Terra Zutphen.

Broeke, P.W. van den, 1991, De Vroegste bewoners: Jagers in een veranderde omgeving,  Pre- & Protohistorie van de lage landen, De Haan, Open Universiteit, Houten.

Cichy, J., 2009, Nogmaals het Hamburgien van Elspeet, Bachelorscriptie Europese Prehistorie, Universiteit Leiden.

Dennell, R., 1981, Economische archeologie, Cambridge Encyclopedie van de Archeologie, Fibula van Dishoeck, Haarlem.  

Es, W.A. van, Sarfatij, Woltering, P.J.,  1988, Archeologie in Nederland, de rijkdom van het bodemarchief, ROB, Meulenhoff informatief, Amsterdam.

Heide, G. van der, 1972, Graven naar het verleden, Teleac, Utrecht.

Laet, S.J. de, Glasbergen, W., 1959, De voorgeschiedenis der lage landen, Wolters, Groningen. Leire, W.J. van, Steur, G.G.L., 1955, De bodemkartering van Nederland, Deel XVI, Een bodemkartering van de gemeente Epe en een bodemkundige verkenning van een deel van de gemeente Heerde, Stichting voor bodemkartering Wageningen, Staatsdrukkerij, ‘s-Gravenhage.

Noort, G.J. van, 2005-2006, De migratie van jager/ verzamelaars van de Hamburgcultuur in de Noord Europese laagvlakte (13.000-11.000 BP), APAN/EXTERN/12.

Popping, H.J., 1930, Nederlandsche Praehistorie, Een Magdalenien station op de Veluwe, De levende natuur 35 (11), 1931.

Rensink, E., Stapert, D., 2005, De eerste moderne mensen , Jong-paleolithicum, Nederland in de prehistorie, Bert Bakker, Amsterdam. 

Rensink, E., Kort, J.W. de, 2011, Rendierjagers langs de flank van de Veluwe, Prehistorische jagers van de Hamburgercultuur in het Kootwijksche veld bij Stroe, Gevormd en omgevormd landschap van Prehistorie tot Middeleeuwen, DPV. 

Scholte Lubberink, H.B.G., Keunen, L.J., Willemse, N.W., 2015, Op het kruispunt van de vier windstreken, Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei, Nederlandse Archeologische Rapporten 048, RCE, Amersfoort.

Sprang, A. v., 1993, Wat de aarde bewaarde, Ermelo.

Stapert, D., 1989, Een vindplaats van de Ahrensburg traditie bij Oudehaske (Fr), Paleo Aktueel 1, BAI, RUG, Groningen.

©c. van baarle